>

>

boek

wij

Roland

 

  home | dier | patiënt | kliniek & faciliteiten | wij | info

 

 

Het boekje “Ik wil dierenarts worden” is voor zeven euro te koop in onze praktijk. U kunt hieronder de eerste dertien bladzijdens lezen.


 



 

De plaatsen en personen in dit boek zijn echt. In verband met de privacy zijn de namen van enkele personen veranderd

 

Met dank aan Rudy en Marilène.

 

De tijd die blijft, maar wij gaan voorbij.


Inleiding.

Het heeft al weken niet geregend. De lucht trilt van de hitte. De gewassen staan verschroeid op het land. Het is broeierig. Tegen de middag wordt het stil om de boerderij. De vogels zingen niet meer, maar hebben een schuilplaats gezocht. Een geheimzinnige dreiging hangt in de lucht. Het strakke blauw van het heelal verandert in een getemperd grijs, waar het zonlicht nog maar moeilijk doorkomt Aan de horizon pakken zich donkere wolken samen. Af en toe rommelt het in de verte. In de voorkamer van de boerderij ligt de boerin in het kraambed. De boer is 's morgens naar de stad gereden om de dokter te waarschuwen. Bij thuiskomst is hij even in de voorkamer om te zien hoe zijn vrouw het maakt, maar lang blijft hij niet. Mannen horen niet in de kraamkamer. Zenuwachtig loopt hij van de stal naar de schuur en even later is hij weer een ogenblik in de keuken en kijkt hij in de krant zonder iets te lezen. De deurtjes van de bedstee staan halfopen en de baker heeft een raam een beetje omhoog geschoven zodat er wat frisse lucht binnen kan komen. Nu het noodweer snel dichterbij komt, heeft de boer de luiken voor de ramen gesloten en met ijzeren pinnen vastgezet. Het is schemerdonker in het vertrek, dat slechts verlicht wordt door een petroleumlamp en de vlam van een flakkerende kaars, die de boerin heeft laten aansteken in verband met het naderend onweer.
De vrouw heeft al drie kinderen, twee jongens en een meisje en hoewel ze maar klein en tenger gebouwd is, waren er toen geen geboorteproblemen. Het ging altijd goed. Nu duurt het te lang. Ze voelt zich ziek en is bang voor wat komen gaat. De stilte wordt verbroken door voetstappen op de gang. Zachtjes gaat de deur op een kier open:
"In de verte zie ik het rijtuig van de dokter al aankomen," zegt het dienstmeisje.
Als de eerste grote druppels op de stenen van de binnenplaats uiteenspatten, komt de dokter met paard en wagen het erf opgereden, waar de knecht al klaar staat om de dokter behulpzaam te zijn. Hij pakt het paard voor bij de teugels en zegt:
"Ik zorg wel voor het paard. Gaat U maar vlug naar binnen, want de bui barst los."

5


Snel pakt de dokter zijn koffertje en haast zich naar de openstaande deur, waar het dienstmeisje al staat te wachten. De regen valt nu bij stromen neer. De knecht spant het paard uit en zet de fiere halfbloed op stal. Trui Trap heeft ondertussen een grote waskom met warm water klaargezet, zodat de dokter zijn handen kan wassen. De dokter is geen Brabander, maar komt van boven de grote rivieren en is zeer gezien. Al vijfentwintig jaar doet hij tot ieders tevredenheid de praktijk.
Kort en bondig stelt hij de gebruikelijke vragen. De vruchtvliezen zijn al enkele uren geleden gebroken, maar de geboorte vordert niet. De dokter trekt zijn jas uit, stroopt de mouwen van zijn overhemd omhoog en wast zijn handen. Met zijn rechterhand gaat hij in de schede om een inwendig onderzoek te doen. Het hoofdje is al ingedaald, maar de schouders komen niet goed door het bekken. Nadat de baker een verlostang heeft uitgekookt, brengt de dokter het instrument voorzichtig om het kopje en trekt onderbegeleiding van de rechterhand het hoofdje in de geboorteweg en commandeert op gebiedende toon:
"En nu persen," terwijl hij behoedzaam aan het kindje trekt. De vrouw is ten einde raad.
"Nog een keer goed persen," schreeuwt de dokter. Met al de kracht die in haar is, spant zij haar buikspieren en met een hartverscheurende kreet van pijn en blijdschap, komt het kindje ter wereld.
Dodelijk vermoeid laat de vrouw zich in de kussens terugvallen. Een nieuw mensje is geboren.
"Het is een gezonde jongen. Gefeliciteerd," zegt de dokter en legt de kleine boreling, nadat de baker het kindje gereinigd heeft, op een kussen, naast de moeder, die vermoeid, maar voldaan en gelukkig glimlachend toekijkt. Tijdens de verlossing is het noodweer in alle hevigheid losgebarsten en nu de spanning binnen de kamer is weggevallen, beseft men pas hoe de elementen buiten tekeer gaan. Het bliksemt voortdurend en de donderslagen ratelen over de boerderij.
Tussen de donderslagen hoort men het gekrijs van de pasgeborene. Het huilen houdt pas op als de kleine de borst van zijn moeder gevonden heeft en gulzig en smakkend werkt hij de melk naar binnen, om vervolgens vermoeid in slaap te vallen. Het is de dertiende van de zomermaand 1925 vier uur in de namiddag. Na een half uur is de bui uitgeraasd. En als het paard weer voor het rijtuig gespannen is, rijdt de dokter terug naar de stad.

6



De kamer wordt door de baker en het dienstmeisje netjes opgeruimd en nu kan de vader de gezinsuitbreiding gaan bewonderen.
Verschillende malen heeft mijn moeder dit verhaal verteld. Hoe ik tijdens een hevig onweer ter wereld kwam en dat het de moeilijkste bevalling was geweest, die zij had meegemaakt.
De boerderij waar ik geboren ben, ligt aan een stille landweg een half uurtje ten zuiden van de stad en enkele kilometers van de Belgische grens. Verscholen tussen groen, is het een eiland van rust. Achter de boerderij liggen de moestuin en de boomgaard. Tussen de boomgaard en de landerijen stroomt een beekje, dat het water van de hoger gelegen bossen van het landgoed "Visdonk" afvoert naar het westen.
Wat ik me nog kan herinneren uit mijn kinderjaren zijn de verkenningstochten, die ik samen met mijn twee jongere zusjes maakte op en om de boerderij. We vingen 's zomers stekelbaarsjes en salamanders met mooie oranje buiken. Ook herinner ik mij nog goed hoe bang we waren van de grote watertorren en die vieze, zwarte bloedzuigers. In de hooiwei wemelde het van de vlinders, die in allerlei vormen en kleuren kriskras door elkaar vlogen. Mijn moeder noemde ze piekkappellen. Die naam piekkapel is toch veel mooier dan vlinder?
Waar het gras al gemaaid was, rook het lekker naar hooi. De landerijen werden omzoomd door houtwallen. Zangvogeltjes hadden hier een rustige broedplaats en voor hun voedsel was het weiland en het water vlakbij. Voor ons lag hier ook de grens die niet overschreden mocht worden. Erachter begon een vreemde, onbekende wereld.
Op de boerderij woonden ook een knecht en een dienstmeisje, die helemaal in het gezin waren opgenomen. Altijd in de weer. De enige vrije tijd was van 's zondags na de vroegmis totdat het donker werd. Als het mooi weer was en ze 's zondags naar huis gingen, mochten wij soms achter op de fiets mee. De ouders van Marieke woonden op een keuterboerderijtje. Na een uur fietsen kwamen we bij een groot ven.
"Kijk, daar wonen wij," riep Marieke en ze wees naar een huisje aan de overkant van het water. Op zo'n dag kwam je in een andere wereld en door de vele nieuwe indrukken, die je opdeed, had je het gevoel, dat de tijd veel langzamer ging. Het liefst reed ik echter met Willem mee.

7


 

De vader van de knecht was boswachter op het landgoed van Carliër.
Midden in de uitgestrekte bossen stond een prachtig jachthuis. Het was net een kasteel. Al in de verte zag je de hoge toren boven het groen uitsteken. Een grote toegangspoort leidde naar de binnenplaats en er waren wel dertig kamers. In een gedeelte van de westelijke vleugel was de boerderij. Als ik dan 's avonds, achter op de fiets naar huis reed, zag ik in mijn fantasie dappere ridders te paard door de bossen rijden en elke donkere boomgroep in de verte was een kasteel.

Ik zal ongeveer een jaar of vier geweest zijn, toen ik met mijn twee oudere broers mee mocht. We gingen naar een jongen in de buurt. Hij had een oude motor gekocht en was deze aan het opknappen. We waren nog maar net bij de schuur aangekomen, toen de machine gestart werd. Met een hels lawaai en een enorme rookontwikkeling sloeg de motor aan. Bezeten van angst rende ik in paniek naar huis. Voorlopig mocht ik niet meer op stap met mijn oudere broers. Die angst voor de onbekende wereld is me lang bijgebleven. Een zekere schuwheid voor alles wat vreemd en nieuw voor mij was ben ik nooit kwijtgeraakt.

Hetzelfde jaar gebeurde er iets wat diep in mijn geheugen is gegrift. Op een woensdagmiddag was ik in de tuin en hoorde ik bij de brandkuil een steljongens luidruchtig met iets bezig. Ik ging kijken en zag dat ze een egeltje, dat zich had opgerold, met een stok in de richting van het water duwden. De dichte begroeiing was er echter de oorzaak van dat het beestje met zijn scherpe stekels in het gras vast bleef zitten. Met de blote handen aanpakken ging ook niet, want de stekels waren veel te scherp. Een van de grotere jongens verzamelde wat papier en droog gras en rolde het diertje op de brandstapel en met een lucifer stak hij de boel in brand. Toen de egel de hitte van het vuur niet meer kon verdragen, maakte hij zich uit de voeten. In zijn haast viel hij van de kant en rolde in het water. Egels kunnen goed zwemmen, maar toen hij aan de kant wilde komen, duwde een van de jongens het arme beestje met een stok terug. Tot overmaat van ramp bleef het met zijn pootjes in de waterplanten steken, zodat het diertje hopeloos verstrikt raakte.

8


Een van de jongens kreeg medelijden en trachtte met een stok het egeltje te bevrijden.
Ik was ondertussen naar huis gelopen om een schepnetje te halen. De pogingen om de egel met een stok uit zijn benarde positie te bevrijden mislukte, omdat het egeltje steeds van de stok afgleed. Met mijn visnetje haalde ik het diertje zo gauw mogelijk uit het water en legde het op het droge Maar het had te lang geduurd. Het egeltje was dood. Toen de jongens weg waren, heb ik samen met mijn jongere zusjes het arme diertje bij een rozenstruik in de tuin begraven.

Naar de bewaarschool.

Om alvast een beetje te wennen aan de lagere school, die in september begon, gingen de meeste kinderen in mei eerst drie maanden naar de bewaarschool bij de nonnen. Ik was nog nooit in het klooster geweest, maar ik wist van mijn oudere zus dat het klooster ver weg was, nog voorbij de kerk.
's Morgens gingen we al vroeg op stap. Op de weg bij de boerderij was nog weinig verkeer. Auto's konden hier niet hard rijden, want de ijzeren banden om de houten wielen van de boerenkarren hadden diepe sporen achtergelaten in het mulle zand. Omdat het niet druk was kon ik nog lopen waar ik wilde. Heel de weg was voor mij. Hier hoefde ik nog niet goed op het verkeer te letten, want er was bijna niemand op de weg. Soms liep ik een eindje vooruit, dan bleef ik weer een klein beetje achter, maar toen we wat dichter bij de stad kwamen en het drukker werd, pakte ik toch maar de hand van mijn zus. Hoe dichter we bij de school kwamen, hoe meer huizen er stonden. Allemaal mooi netjes naast elkaar. Voor de huizen lagen tegels.
"Dat is de stoep," zei mijn zus. "Daar moetje bij het spelen altijd opblijven. Hier komen geen auto's of fietsers."
Haastige mensen liepen ons voorbij. Allemaal dezelfde kant op. Bij de kerk gingen we door een brede straat, met aan de kant grote bomen. Er liepen steeds meer kinderen en eindelijk zag ik in de verte het klooster. Een groot mooi gebouw met veel ramen en in het midden een spits torentje. Een grote ijzeren poort gaf toegang tot het schoolplein, waar spelende kinderen joelend en schreeuwend kriskras door elkaar renden.

9


De deuren, die toegang tot het klooster gaven, stonden wijd open. Onwennig en nieuwsgierig keek ik om me heen. -
"Het is al laat. We moeten opschieten," zei m'n zus en gehaast trok ze mij naar binnen.
De gang was leeg en lang. Ik keek m'n ogen uit. De echo van mijn kletterende klompjes weergalmde in de gang. De witgekalkte muren werden op regelmatige afstand onderbroken door donkere deuren. Daartussen zaten rijen zwarte kapstokjes. Af en toe drong vanuit een leslokaal het geluid van heldere kinderstemmetjes tot de gang door. Toen de klok negen uur sloeg, duwde mijn zus mij in een deuropening en zei:
"Hier is het, tot vanmiddag," en ze liep vlug naar haar eigen klas. Nieuwsgierig keek ik rond. Er waren vier rijen banken, waarin alleen maar jongetjes zaten. Slechts een enkele plaats was nog open. Een kindje zat zachtjes te snikken. Bij de lessenaar stond een vrouw met de zuster te praten. Ik voelde me alleen en verlaten en toen de eerste tranen over m'n wangen biggelden, kwam de zuster met uitgestoken hand naar me toe en zei:
"Ik ben Soeur Felicité en hoe heet jij?"
Ze nam mijn hand in de hare. Verwonderd keek ik naar haar grijswitte hand, waarop de blauwe aderen schril afstaken tegen de blanke huidskleur.
"Ik heet Jacques," ze ik en ik keek naar haar op, naar haar gezicht, naar haar vriendelijk lachende ogen. De rest van haar hoofd, hals en haren was verborgen achter een strakke witte doek en daaroverheen droeg zij een grote zwarte kap. Zonder erbij na te denken zei ik spontaan:
"Ik dacht, dat U de heilige Maria was, die ziet er ook zo uit." De zuster begon te lachen en terwijl ze zachtjes in mijn hand kneep zei ze:
En, hoe heet je nog meer?" Met mijn gedachten nog helemaal bij de hemelse verschijning, kwam ik weer terug op aarde en terwijl ik een verfrommeld papiertje uit m'n broekzak opdiepte, zei ik:
"Dit heeft mijn moeder mij gegeven," en ik reikte haar het briefje aan. Ze streek de kreukels eruit en las zachtjes voor:

 

10


Eerwaarde zuster,

Dit is mijn vierde kind dat ik aan U toevertrouw Zijn naam is Jacques.

Met de meeste hoogachting,

de boerin van de Zandhoeve.

Ze vouwde het briefje op en legde het in de lessenaar. De zuster keek de klas rond om een plaatsje te zoeken en bracht mij toen naar een bank, waar nog maar één jongen in zat. Simon heette hij en ik herinner mij nog goed dat hij een geruite bloes aan had met rood en groen erin. Na mij kwamen er nog tweejongens en bijna alle lege plaatsen waren nu bezet. De zuster begon ons het Weesgegroet te leren. De zuster zei woord voor woord voor en heel de klas moest het in koor nazeggen. Daar mijn vader elke dag na het avondeten het Rozenhoedje voorbad, wat door heel het gezin werd nagebeden, kon ik mijn stem bij het nazeggen goed laten horen. Daarna hebben we nog geleerd hoe je matjes moest vlechten met papieren strookjes van allerlei kleur.
Toen om twaalf uur de bel ging, bracht de zuster ons in een lange rij, netjes met z'n tweetjes naast elkaar, naar het schoolplein, waar moeders en meisjes al stonden te wachten. Aan de hand van mijn zus gingen we naar de winkelier, die elke week met paard en wagen kruidenierswaren thuis bezorgde bij mensen die buitenaf woonden. Zijn winkel stond tegenover de kerk. Hier was gelegenheid voor de kinderen van buiten om hun boterham op te eten. Er was ook een grote stal, waar de boeren, die 's zondags naar de kerk gingen, hun paard konden stallen. Onder de bomen voor de winkel werden de paarden uitgespannen. Na de kerkdienst stond voor de vrouwen de koffie klaar, terwijl in het café ernaast de mannen hun borreltje pakten.
Om één uur waren we weer terug op school. We mochten in de kloostertuin gaan wandelen. Er stonden prachtige oude bomen. Het gras was kort gemaaid, maar wij moesten op de paden blijven. Wij gingen op de banken zitten, die achter in de tuin stonden en de zuster leerde ons een liedje zingen.

11



Toen om half vier de bel ging, bracht de zuster ons weer naar het schoolplein, waar mijn zus al stond te wachten. Ze stapte altijd flink door, maar nu was ik het, die steeds aan haar hand trok, omdat het naar mijn zin nog te langzaam ging. Toen de boerderij in zicht kwam, rukte ik me los en rende naar huis. Mijn eerste schooldag was voorbij en had wel een week geduurd. In een adem vertelde ik m'n moeder, wat ik allemaal beleefd had. Na het avondeten kon ik m'n ogen niet meer openhouden. Omdat het een vermoeiende dag geweest was, bracht mijn moeder mij vroeg naar bed. Na het bidden van het avondgebed, viel ik dan ook direct in slaap. Ik werd pas wakker toen de volgende morgen m'n zusje naast mijn bed stond en riep:
"Wakker worden. Het is tijd voor de kerk."
Om half acht gingen we die morgen van huis, want de mis begon om acht uur. In de kerk zaten veel kinderen, maar ook veel oude mensen. Er brandden overal kaarsen en af en toe rinkelden kleine belletjes en dan ging iedereen staan. Er gebeurde weinig en ik was blij dat het afgelopen was. Op school was het feest, omdat er een kindje jarig was. Hij had een zak met snoepjes meegebracht. Samen met de zuster deelde hij de koekjes uit. Toen ik een maand naar school ging, hoefde ik niet meer aan het handje te lopen, want ik wist dat ik op de stoep moest blijven en bij het oversteken goed moest uitkijken.

Het was nu volop zomer en al een paar dagen broeierig warm en in de namiddag, toen de kinderen bijna uitgedroogd waren van de hitte, kregen we allemaal een lekker glaasje ranja. Een keer in de maand mochten we in de kapel. Daar was het mooi. Prachtige glas-in-loodramen. Schilderingen op de muren en overal stonden rijk gekleurde heiligenbeelden. Zo zal de hemel er ook uitzien, dacht ik. Met Maria Hemelvaart was het processie. Simon, het jongetje dat naast mij zat, mocht verkleed als pater meedoen. Ik liep ook in de optocht mee, maar ik had alleen een palmtak.

In de grote vakantie speelden wij meestal buiten. Vlak bij de boerderij aan de overkant van de weg, lag "de Berg". Zo werd hij altijd genoemd. In werkelijkheid was hij niet hoger dan vijf meter. Maar je kon er naar hartelust graven en spitten in het gele zand. Achter "de Berg" in het dal lagen de akkers met ertussen bosjes met kreupelhout waar veel varens groeiden. Ze waren wel anderhalve meter hoog en we bouwden er mooie hutten van.

Op een morgen was Louis, mijn speelkameraadje al vroeg op de boerderij. Het was warm. Mijn moeder had een verrassing voor ons.

 

1 2


Ze had boterhammen klaargemaakt en in een knapzak gedaan en een volle fles aangelengde limonadesiroop klaargezet.

"Nemen jullie dit maar mee, dan hoef je vanmiddag niet naar huis te komen, want jullie hebben het nog zo druk, dat jullie tijd te kort komen." Toen we haastig op weg gingen, riep mijn moeder ons nog na: "Drink niet te snel je limonade op, anders moet je van dorst nog naar huis komen om te drinken."

De dag tevoren hadden we op het hoogste punt van de berg een diepe kuil gemaakt. Zo diep zelfs, dat we er bijna niet meer uit konden. Daarom hadden we nu een touw meegenomen. Omdat het gele zand in onze klompen kwam, deden we onze kousen en klompen uit. We groeven eerst een dikke paal in de grond en we bonden het touw aan de paal vast. Louis liet zich het eerst aan het touw naar beneden zakken, maar klauterde weer vliegensvlug omhoog, omdat er iets aan zijn voeten kriebelde. Wat was het geval?

Gedurende de nacht waren muizen, bruine kikkers en padden in de kuil gevallen en de beestjes konden geen houvast vinden in de wand van rul zand. Telkens vielen ze terug, wanneer ze hun pootjes in de wand zetten, omdat het losse zand niet stevig genoeg was. Op de boerderij zouden we de muizen hebben gedood, omdat het schadelijke dieren waren, maar hier golden andere wetten. We besloten een sleuf te maken. Enkele meters van de kuil begonnen we het zand weg te spitten, terwijl we de gang steeds dieper maakten in de richting van de kuil. Het laatste stukje gaf nog problemen. Soms kalfde de wand een beetje in en kwamen de diertjes onder het zand te zitten. De muizen konden er beter tegen dan de kikkers en padden. Vol overgave werkten wij om ze te redden, want wij voelden ons verantwoordelijk. Er was een soort band ontstaan tussen ons en die diertjes daaronder diep in de kuil. Uiteindelijk lukte het om de nooduitgang zo te maken, dat ze zich naar boven konden werken, weg uit de diepe kuil. De muizen waren het eerst boven. We lagen plat op onze buik en voor het eerst zag ik wat een lieve diertjes muizen toch eigenlijk waren toen ze vlak naar boven klauterden. Met de kin op de handen 1agen we daar, terwijl de muisjes naar hun vertrouwde plekjes in het bos terugkeerden.

1 3



Bent U geinteresseerd in het vervolg, het boekje is voor 7 euro te koop in de praktijk.

naar boven